Een gesprek met Cloë (21 jaar) over thuisloos zijn en de weg naar herstel
Ze is 21, werkt deeltijds in een supermarkt, vangt katten op voor het asiel en woont sinds twee jaar alleen in een sociale woning. Op papier lijkt alles ok, maar wie Cloë hoort vertellen, beseft dat een dak boven het hoofd hebben niet voor iedereen vanzelfsprekend is. In dit interview blikt ze terug op haar jeugd in een onstabiele thuissituatie, haar periode in een leefgroep van een opvanginitiatief van het CAW en de hobbelige weg naar op eigen benen staan.
Dag Cloë, dit interview gaat door bij het JongerenAanbod van het CAW (JAC). Je komt hier af en toe langs voor hulp. Hoe ben je hier terechtgekomen?
Cloë: ‘Ik klopte bij het JAC aan voor hulp toen mijn ouders zijn gescheiden. Thuis liep het toen erg moeilijk. Ik pendelde voortdurend tussen het huis van mijn moeder en vader. Ik voelde me nergens echt welkom of veilig. Na een tijdje werd het voor mij duidelijk dat het zo niet verder kon. Een hulpverlener van het JAC verwees me toen door naar De Tunnel, een opvanginitiatief voor jongeren in Hasselt. Dat was een grote stap, maar achteraf gezien ook nodig.’
‘Het ging plots snel. Ik deed mijn verhaal bij een hulpverlener van De Tunnel en ongeveer een week later kon ik verhuizen. Ik vertelde het thuis pas heel laat, omdat ik bang was voor de reactie. Er was veel emotie en weerstand, maar uiteindelijk hebben mijn ouders me zelfs geholpen om te verhuizen.
Ik klopte bij het JAC aan voor hulp toen mijn ouders zijn gescheiden.
Wat maakte het samenleven met je ouders zo zwaar?
Cloë: ‘De scheiding van mijn ouders zorgde voor stress, maar ook in de jaren daarvoor was het niet makkelijk. Er was veel spanning en ruzie in huis. Wat ik vooral miste, was rust en voorspelbaarheid. Als een situatie thuis escaleerde, voelde ik me vaak alleen staan met mijn emoties. Als de spanningen met de ene ouder te hoog opliepen, ging ik naar de andere ouder. Daar bleef ik dan even, tot het me daar ook te veel werd. En dan verhuisde ik opnieuw. Het lastigste was dat ik op den duur niet meer wist waar mijn thuis was.’
Heb je broers of zussen?
Cloë: ‘Ik heb een halfzus. Zij is een stuk ouder dan ik. We hebben niet alles samen meegemaakt, maar ze weet genoeg om te begrijpen hoe ik er soms bijzit. Net omdat het thuis vaak moeilijk was, is onze band sterker geworden. Ze is er altijd voor mij. Ik ben haar daar heel dankbaar voor.’
Hoe kijk je terug op je verblijf in De Tunnel?
Cloë: ‘Voor het eerst had ik een plek die ik een thuis durfde te noemen, hoe raar dat ook klinkt voor een plek die je deelt met andere jongeren die je niet kent. Ik kreeg voor het eerst in mijn leven structuur en ruimte. Er waren afspraken en verantwoordelijkheden, en tegelijk was er begeleiding die echt beschikbaar was. Ik kon er onder de mensen zijn wanneer ik dat wilde en me terugtrekken wanneer ik dat nodig had. Die combinatie hielp me om mezelf terug te vinden.’
Na twee jaren in De Tunnel kon je verhuizen naar een eigen plek. Hoe liep dat?
Cloë: ‘Ik voelde me sterk genoeg om op eigen benen te staan, maar een appartement vinden met een beperkt inkomen is onmogelijk. Met een laag inkomen kun je het vergeten op de private huurmarkt. Via versnelde toewijzing kreeg ik uiteindelijk een sociale woning. Dat was echt een keerpunt. Ineens had ik een plek van mezelf en kon ik beginnen bouwen aan rust.’
Ik kreeg voor het eerst in mijn leven structuur en ruimte.
Kreeg je na die verhuizing nog ondersteuning?
Cloë: ‘Financieel lukte het me meestal wel. Ik heb van thuis meegekregen dat sparen en overzicht houden belangrijk is. Maar alleen wonen betekende ook dat ik echt veel alleen of zelf moest doen. In het begin kreeg ik begeleiding aan huis van het CAW. Toen dat traject werd afgerond, heb ik contact met het JAC opgenomen. Ik maak tot op vandaag geregeld een afspraak met mijn hulpverlener. Tijdens de gesprekken gaat het over verschillende dingen, van administratie tot een gesprek over iets waar ik mee zit. Het helpt dat ik iemand kan bellen of een berichtje sturen wanneer het me te veel wordt. Soms is het geen grote crisis, maar gaat het net om die kleine dingen die ik anders alleen moet uitzoeken.’
(tekst gaat verder onder de afbeelding)
Hoe is de relatie met jouw ouders vandaag?
Cloë: ‘De afstand heeft onze relatie goed gedaan. Ik zie mijn beide ouders geregeld. Er is meer begrip dan vroeger, maar soms blijft het moeilijk. Mijn grote geluk nu is dat ik een plek heb voor mezelf. Als een gesprek bij een van mijn ouders uit de hand dreigt te lopen, kan ik ergens naartoe. Dat geeft me ademruimte.’
Sommige mensen vinden het moeilijk om hulp te vragen. Hoe is dat voor jou?
Cloë: ‘Als in gesprekken pijnlijk zaken aangeraakt worden of ik voel me slecht, dan blokkeer ik soms. Ik heb dan de neiging om afspraken af te zeggen en niets meer van me te laten horen. Dat is een oude reflex. Ik wil het dan allemaal alleen oplossen, maar dat lukt me vaak niet. Wat wel helpt, is wanneer iemand niet boos wordt, maar rustig laat weten dat ik welkom blijf. Mijn hulpverlener bij het JAC weet dat en houdt daar rekening mee als we afspraken maken.’
Ik heb geleerd dat ik zorg moet dragen voor mijn mentaal welzijn.
Je bent nog jong en hebt al veel meegemaakt. Waar vind je de kracht om ervoor te blijven gaan?
Cloë: ‘Ik wil het anders en beter doen dan mijn ouders. Dat vraagt veel werk. Het is een proces van vallen en opstaan, maar ik wil niet opgeven. Ik heb geleerd dat ik zorg moet dragen voor mijn mentaal welzijn. Als ik dat stuk van mezelf verwaarloos, dan weet ik dat ik het ook lastig krijg thuis, in het contact met mijn vrienden of op mijn werk.’
‘Ik ben ook katten beginnen opvangen voor het asiel. Je moet met een dier niet altijd veel praten. Je moet er gewoon zijn en voor hen zorgen. Ik vind het altijd mooi om te zien hoe zo’n dier met de juiste zorg van bang naar nieuwsgierig en zelfzeker gaat. Dat geeft me het gevoel dat ik iets doe dat betekenisvol is.’
Het aantal dak- en thuisloze jongeren stijgt. Hoe kijk jij daarnaar?
Cloë: ‘Ik denk dat jongeren vandaag meer ruimte nodig hebben om te zoeken naar wie ze zijn. Dat is positief, maar in die zoektocht botsen ze soms hard met opvatting en ideeën van hun ouders. Je krijgt dan sneller conflicten over regels, grenzen, vrijheid of respect. Als het gesprek vastloopt, kan een jongere zich heel alleen voelen en sneller vertrekken.’
‘Daarbovenop is hulp niet altijd toegankelijk. Iemand die midden in een crisis zit, komt geen stap verder met een plek op een wachtlijst. Therapie is ook duur. Daarom zijn laagdrempelige diensten zo belangrijk. Het zijn plekken waar je zonder schaamte kan binnenstappen, waar iemand mee denkt en waar je niet meteen teruggestuurd wordt met een stapel invulformulieren.’
Ik denk dat jongeren vandaag meer ruimte nodig hebben om te zoeken naar wie ze zijn.
Je werkt deeltijds. Is dat een bewuste keuze?
Cloë: “Het gaat vandaag goed met mij, maar dat neemt niet weg dat ik nog steeds voldoende tijd moet voorzien om in balans te blijven. Therapie, afspraken en aan mezelf werken vragen tijd en energie. Als ik te veel van mezelf eis, wat soms gebeurt, dan kan ik niet blijven werken. Een deeltijdse baan geeft me ruimte om stabiel te blijven.’
Waar droom je van?
Cloë: ‘Ik zou heel graag opnieuw gaan studeren, liefst een menswetenschappelijke richting. Ik wil met jongeren werken, zeker met jongeren die het gevoel hebben dat ze er alleen voor staan. Ik ken hun situatie maar al te goed. Als ik later iemand kan helpen om een veilige plek en perspectief te vinden, dan zal dat voelen alsof ook mijn eigen moeilijke weg de moeite waard is geweest. Alleen zijn er drempels. Studeren combineren met een vast inkomen is niet vanzelfsprekend, maar ik wil het echt proberen.’