Begin van de inhoud.

Sociale rechtvaardigheid is een proces, geen eindpunt

Politiserend werken is geen losse opdracht binnen het sociaal werk, maar een fundamenteel onderdeel ervan. Dat blijkt duidelijk uit dit gesprek met Mieke Van Durme, beleidscoördinator bij het CAW. Vanuit haar jarenlange ervaring vertelt ze hoe het CAW structurele signalen opvangt en hiermee actief probeert te wegen op het beleid. Of het nu gaat om het rechtendiscours, detentie of vrouwenrechten: telkens opnieuw zoekt het CAW naar manieren om structurele verandering te realiseren.

Ben je akkoord met de stelling dat politiserend werken in het DNA van elke welzijnswerker zit?

“In de opleiding sociaal werk werden we doordrongen met de visie dat we meer moeten doen dan alleen het individueel probleem van de cliënt oplossen. Omdat we heel veel capteren en heel veel te horen krijgen, en door de aard van ons werk ook weten waar mensen structureel tegenaan lopen, wordt er toch verwacht dat we met die individuele signalen ook structureel aan de slag gaan. En het is niet omdat we één probleem aangepakt hebben, dat we levenslang met diezelfde oplossing aan de slag kunnen blijven. We mogen niet tevreden blijven met de structurele oplossingen die er misschien komen, want de samenleving verandert voortdurend dus we moeten flexibel genoeg zijn om daarmee om te gaan.”

Kan je een voorbeeld geven waar het CAW succesvol was in beleidsbeïnvloeding?

“Waar we zeker een bijdrage geleverd hebben is in heel het verhaal van het rechtendiscours: de overtuiging dat we door problemen op te lossen tegelijkertijd ook meer rechten genereren, en dat dit de basis is om in de samenleving uiteindelijk toch alles krijgen waar je recht op hebt. Heel het verhaal van de rechtendetectie, en vooral aandacht hebben voor wat die rechten op langere termijn genereren, daar denk ik wel dat we een belangrijke bijdrage toe geleverd hebben. Dat is natuurlijk niet voldoende, want rechten detecteren is één zaak, maar je moet natuurlijk ook de toegang verkrijgen tot die rechten, en op dat vlak is er nog werk aan de winkel. ”

Heeft het CAW ook geen voortrekkersrol gespeeld bij vrouwenrechten en in de visie op intra-familiaal geweld?

“Ja, bijvoorbeeld door de oprichting van de vluchthuizen vanuit gans het discours van kwetsbaarheid en het feit dat vrouwen minder rechten hadden. Ze hadden nauwelijks mogelijkheden om uit hun uitzichtloze situatie te ontsnappen, dus ik denk inderdaad dat we hier een bijdrage in geleverd hebben. De vluchthuizen zijn er ook gekomen met de steun van de vrouwenemancipatiebeweging, maar ook hier is het werk nog niet af. We moeten nog een stapje verder durven gaan. Ook hier moeten we het trachten in te passen in de veranderende samenleving, en vermijden dat men alleen maar vrouwen wil beschermen omwille van hun kwetsbaarheid.”

Bij welke recente problemen zijn beleidsaanpassingen noodzakelijk?

“Als ik kijk naar de thema’s waar ik voor verantwoordelijk ben, is dat zeker het geval bij detentie. Iedereen is er van overtuigd dat detentie de ultieme remedie is om dingen in onze samenleving weer goed te krijgen, en om mensen die iets mispeuterd hebben weer op het goede spoor te brengen. Een laatste toevlucht omwille van de nadelen en neveneffecten. Criminologen hebben hier al boeken vol over geschreven. Maar als ik dan kijk hoe wij op dit moment omgaan met onze gevangenissen en onze gedetineerden, dan strookt dat daar absoluut niet mee. Dat gaat dan niet alleen over de overbevolking in de gevangenis, maar ook over de omstandigheden waarin we mensen opsluiten. Geïnterneerden horen bijvoorbeeld echt niet thuis in de gevangenis. Maar we sluiten mensen ook op, en denken pas kort voor ze terug vrijgelaten worden aan hun re-integratie. Eigenlijk moet re-integratie starten vanaf de eerste dag dat iemand in gevangenis zit. Je ziet ook dat alternatieven zoals detentiehuizen er wel met mondjesmaat komen, maar dat er op dat vlak nog veel werk aan de winkel is.”

We mogen niet tevreden blijven met de structurele oplossingen die er misschien komen, want de samenleving verandert voortdurend dus we moeten flexibel genoeg zijn om daarmee om te gaan.

Wat doen we zelf om op dit vlak het beleid te sensibiliseren?

“In de mate van het mogelijke proberen we dit telkens te signaleren. Niet alleen op basis van individuele signalen maar ook systematisch, bijvoorbeeld via ons jaarverslag (n.v.d.r.: meer info over het jaarverslag op pagina’s 12 en 13). We proberen ook in te zetten op innovatieve projecten om een antwoord te bieden op de signalen die we al zolang geven, door te bewijzen dat die alternatieve aanpak werkt.

Wat we momenteel doen met het OTIS-project (Ondersteuning bij Terugkeer In de Samenleving) vind ik hier een mooi voorbeeld van. OTIS is een Europees project, en we hebben de voorbije twee jaar de kans gekregen om het theoretisch te onderbouwen. We hebben het experiment kunnen vertalen naar de praktijk, en suggesties gedaan over wat beter kon. We maken een koppeling tussen hulpverleningstraject een buddytraject. Mensen die de gevangenis verlaten krijgen een buddy toegewezen die hen zal ondersteunen gedurende de eerste maanden van hun vrijheid. Momenteel zijn we bezig met het indienen van een vervolgproject waarin we proberen om de connectie tussen de ex-gedetineerde en alle voorzieningen daarbuiten proberen te herstellen. Zo steken we tijd en energie in iets nieuws en toekomstgericht dat aansluit bij wat we al deden, in plaats van meer van hetzelfde te doen.”